Werkplek in de zorg

De eigen werkplek in de zorg: noodzaak, luxe of achterhaald principe?

De discussie over de werkplek in de zorg wordt steeds vaker gevoerd. Is een eigen werkplek of kamer voor iedere zorgprofessional nog noodzakelijk? Dat is niet verrassend. Vastgoedkosten staan onder druk, terwijl de vraag naar zorg groeit en beschikbare middelen steeds schaarser worden. Tegelijkertijd willen zorgorganisaties een werkomgeving bieden waarin medewerkers hun werk goed kunnen doen.

Ook de manier van werken is veranderd. Voor steeds meer functies speelt hybride werken een rol. Daardoor kijken organisaties opnieuw naar het gebruik van hun kantoorruimte en naar de vraag hoeveel en welk type werkplekken nodig zijn.

Daarmee ontstaat een fundamentele vraag: wanneer is een eigen werkplek in de zorg noodzakelijk voor het functioneren van een professional, en wanneer is deze vooral een voorziening die historisch zo is gegroeid?

Niet iedere zorgprofessional heeft dezelfde behoefte

Het antwoord begint bij het werk zelf. De werkzaamheden van een medisch specialist verschillen wezenlijk van die van een verpleegkundige, psycholoog, onderzoeker of beleidsadviseur. Ook binnen één functie lopen de werkzaamheden uiteen. Sommige activiteiten vragen om concentratie, vertrouwelijkheid of specialistische middelen. Andere werkzaamheden lenen zich juist goed voor samenwerking, overleg of kortstondig gebruik van een werkplek. Ook de mate waarin medewerkers op locatie aanwezig zijn, verschilt per functie en afdeling.

Dat maakt één uniforme oplossing voor werkplekken in de zorg moeilijk verdedigbaar. Zowel het traditionele model van uitsluitend individuele kamers als een volledig flexibele werkomgeving doet onvoldoende recht aan de diversiteit van het werk binnen zorgorganisaties.

Een eigen kamer kan zeer doelmatig zijn

De discussie over kantoorruimte in de zorg wordt soms te eenvoudig gevoerd. Een kamer die een deel van de dag leegstaat, wordt al snel als inefficiënt gezien. Maar bezetting alleen zegt weinig over de waarde van een ruimte. Een spreekkamer voor vertrouwelijke gesprekken hoeft niet permanent bezet te zijn om essentieel te zijn. Hetzelfde geldt voor een werkruimte waar geconcentreerd onderzoek plaatsvindt of waar specialistische materialen en dossiers beschikbaar moeten zijn.

De vraag is daarom niet alleen hoeveel uren een ruimte wordt gebruikt, maar vooral welke functie de ruimte vervult binnen de organisatie. Een ruimte die cruciaal is voor de kwaliteit van het werk kan zeer doelmatig zijn, ook wanneer deze niet continu bezet is.

Tussen de eigen kamer en de flexwerkplek ligt een groot speelveld

In veel organisaties wordt de discussie gevoerd alsof er slechts twee keuzes bestaan: iedereen een eigen kamer of niemand een eigen kamer. Juist daar gaat het vaak mis. De meest interessante oplossingen bevinden zich meestal tussen deze uitersten.

Zo kunnen afdelingen werken met gedeelde kamers binnen een vakgroep of afdeling, waarbij een beperkt aantal medewerkers gebruikmaakt van een cluster van afsluitbare ruimten. Privacy en concentratie blijven beschikbaar, terwijl de ruimte efficiënter wordt benut. Een andere oplossing is het inzetten van reserveerbare focuskamers voor werkzaamheden die hoge eisen stellen aan concentratie of vertrouwelijkheid. De ruimte wordt dan gebruikt wanneer dat nodig is, in plaats van permanent aan één persoon te worden toegewezen.

Ook zien we steeds vaker het concept van een herkenbare thuisbasis. Medewerkers beschikken niet over een exclusieve kamer, maar wel over een vaste zone waar collega’s elkaar ontmoeten, samenwerken en kennis uitwisselen. Daaromheen bevindt zich een palet aan aanvullende ruimten, zoals stiltewerkplekken, focuskamers, overlegruimten en informele ontmoetingsplekken. Voor sommige functies kan zelfs een gedeeltelijk toegewezen werkplek een passende oplossing zijn, bijvoorbeeld door een kamer te delen met twee of drie vaste gebruikers. Zo blijft het gevoel van eigenaarschap behouden zonder dat ruimtes langdurig ongebruikt blijven.

Deze voorbeelden laten zien dat de discussie niet draait om de vraag óf iemand een werkplek krijgt, maar welke mate van exclusiviteit, beschikbaarheid en privacy nodig is om het werk goed te ondersteunen.

De kwaliteit van een werkplek zit niet alleen in flexibiliteit

Een veelgemaakte fout is te denken dat flexibiliteit automatisch leidt tot een betere benutting van kantoorruimte. In werkelijkheid werkt een flexibel concept alleen wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Akoestiek, privacy, ergonomie, opslagmogelijkheden en digitale voorzieningen bepalen of medewerkers daadwerkelijk kunnen schakelen tussen verschillende werkvormen. Zonder deze voorwaarden ontstaat gemakkelijk frustratie en wordt flexibiliteit vooral ervaren als verlies van kwaliteit. Een hybride werkplek of flexwerkplek is daarmee niet automatisch een betere oplossing dan een vaste werkplek. Het succes wordt bepaald door de mate waarin medewerkers voor iedere activiteit een passende plek kunnen vinden.

De praktijk is vaak weerbarstiger

Veel zorgorganisaties starten een huisvestingsproject met de ambitie om de werkomgeving beter te laten aansluiten op verschillende manieren van werken. Er is aandacht voor activiteitgericht werken, concentratieplekken, overlegzones en ontmoetingsruimten. Het uitgangspunt is meestal dat een afname van persoonlijke werkplekken wordt gecompenseerd door een rijker en beter functionerend aanbod van andere werkruimten.

Maar gedurende het proces komen financiële beperkingen, tijdsdruk, bouwkundige beperkingen of ruimtegebrek steeds nadrukkelijker in beeld. Dan verschuift de focus geleidelijk van kwaliteitsverbetering naar het inpassen van zoveel mogelijk functies binnen zo min mogelijk vierkante meters.

De ambitie blijft vaak overeind, maar de middelen om die ambitie waar te maken niet altijd.

Daardoor ontstaat regelmatig een situatie waarin vaste werkplekken verdwijnen, terwijl de alternatieven slechts gedeeltelijk worden gerealiseerd. Het aantal focusruimten blijft beperkt, overlegplekken zijn schaars of de akoestische kwaliteit voldoet niet aan de oorspronkelijke doelstellingen. Medewerkers ervaren dan vooral wat zij verliezen, terwijl de beloofde voordelen onvoldoende merkbaar zijn.

Dat is een dilemma dat veel zorgorganisaties zullen herkennen. Vanuit vastgoedperspectief is de druk groot om efficiënter met ruimte om te gaan. Tegelijkertijd ontbreekt vaak het budget om de werkomgeving fundamenteel te verbeteren. Het resultaat is soms een inpassingsoplossing: een gebouw waarin minder vierkante meters beschikbaar zijn, maar waarin het werk niet aantoonbaar beter wordt ondersteund.

Juist daar schuilt een risico. Een oplossing die op papier efficiënter lijkt, hoeft in de dagelijkse praktijk niet duurzamer te zijn. Wanneer medewerkers structureel moeten zoeken naar geschikte werkplekken, uitwijken naar ruimtes die niet voor hun activiteiten zijn ontworpen of concentratieproblemen ervaren, verschuift het probleem in feite van vastgoed naar gebruik.

Meer ruimte-efficiëntie betekent dus niet automatisch een betere werkomgeving.

Wat betekent dit voor het huisvestingsplan?

De keuze voor een eigen, gedeelde of flexibele werkplek staat niet op zichzelf. De manier waarop medewerkers werken en aanwezig zijn, heeft direct gevolgen voor de benodigde kantoorruimte en de inrichting van het vastgoed.

Voor een huisvestingsplan betekent dit dat niet alleen gekeken moet worden naar het aantal medewerkers of het aantal vierkante meters. Ook activiteiten, aanwezigheidspatronen, privacybehoeften, samenwerking en het type werk bepalen welke ruimten nodig zijn. Een organisatie die inzet op hybride werken kan bijvoorbeeld andere eisen stellen aan haar kantooromgeving dan een organisatie waar medewerkers grotendeels op locatie werken. Maar ook binnen één zorgorganisatie kunnen de behoeften sterk verschillen.

Juist daarom is het belangrijk om de discussie over de eigen werkplek niet los te zien van de bredere huisvestingsopgave. De vraag is niet alleen hoeveel ruimte beschikbaar is, maar vooral welke ruimte nodig is om het werk goed te ondersteunen.

De vierkante meter als middel, niet als doel

De financiële druk in de zorg maakt efficiënt ruimtegebruik noodzakelijk. Tegelijkertijd mag vastgoed nooit een doel op zich worden. Het is een middel om goede zorg, onderzoek, onderwijs en ondersteuning mogelijk te maken.

Dat betekent ook dat vierkante meters besparen niet hetzelfde is als waarde creëren. Een kamer die noodzakelijk is voor vertrouwelijkheid, concentratie of specialistisch werk kan zeer doelmatig zijn. Omgekeerd is een gedeelde werkplek niet automatisch een goede oplossing wanneer de omgeving onvoldoende ondersteuning biedt voor de werkzaamheden die daar moeten plaatsvinden.

De opgave voor zorgvastgoedprofessionals is daarmee groter dan het optimaliseren van oppervlaktes. Het gaat om het vinden van een werkbare balans tussen financiële haalbaarheid en een werkomgeving die medewerkers daadwerkelijk ondersteunt. Juist in een sector waar middelen schaars zijn, ontstaat de verleiding om vooral te sturen op ruimtebesparing. Toch is een oplossing pas duurzaam wanneer zowel de exploitatie als het dagelijks gebruik op orde zijn.

De echte vraag is niet: eigen of gedeeld?

De discussie over de persoonlijke werkplek wordt vaak gepresenteerd als een keuze tussen twee uitersten. In de praktijk blijkt de werkelijkheid veel genuanceerder.

Een eigen kamer is niet per definitie verspilling, maar ook niet vanzelfsprekend noodzakelijk. Een flexibele werkplek is niet automatisch efficiënter, maar kan dat onder de juiste omstandigheden wel zijn. De relevante vraag is daarom niet hoeveel vierkante meter iedere medewerker krijgt, maar welke ruimten nodig zijn om goede zorg en goed professioneel werk mogelijk te maken.

Toekomstbestendig zorgvastgoed draait daarmee niet om het simpelweg schrappen van kamers of het verhogen van bezettingsgraden. Het draait om het creëren van een omgeving waarin functionaliteit, gebruikskwaliteit en doelmatigheid met elkaar in balans zijn. Daarmee verschuift het gesprek van bezit naar gebruik, van gewoonte naar functie en van vierkante meters naar de waarde die die vierkante meters daadwerkelijk toevoegen.

En juist daar ligt de kern van toekomstbestendig zorgvastgoed.

Dit artikel is geschreven door Marleen van der Sluis, Workplace Consultant bij WorkWire.